Het Regenboogpad

 

Rudolf Steiner

Home    Leringen - Wandel mee - Programma - Links  & Literatuur

Leven

Rudolf Steiner (1861-1925) is de grondlegger van de antroposofie. Als zoon van een spoorwegbeambte leefde hij zowel in de wereld van de techniek als in de ongerepte natuur. Ook anderszins leefde hij in twee werelden. Al op jonge leeftijd nam hij naast de fysieke wereld nog een andere, geestelijke wereld met geestelijke wezens waar. Zeker in de wetenschappelijke wereld was dit in zijn tijd als thema volstrekt niet aan de orde. Hij zag zich genoodzaakt geheel nieuwe methoden te ontwikkelen om die andere wereld op een wetenschappelijk verantwoorde manier te onderzoeken en onder woorden te brengen. In boeken en talloze voordrachten beschreef hij zijn onderzoekingen op het gebied van de geest.

Werkelijkheid en wetenschap

Als student leerde Rudolf Steiner de natuurwetenschappen kennen. Hij beleefde een grote kloof tussen het spirituele beleven dat sinds zijn jeugd steeds sterker was geworden, en het materialistische wereldbeeld dat de negentiende-eeuwse wetenschap had ontwikkeld. Deze kloof beschrijft Steiner ook als een innerlijke confrontatie. Daardoor ontstond voor hem de dwingende vraag of het principe van de exacte wetenschap ook voor spirituele ervaringen zou kunnen gelden. Zou het mogelijk zijn de bovenzinnelijke fenomenen exact en methodisch te onderzoeken, zodat men tot betrouwbare oordelen over hun samenhang kan komen? En daarbij sloot de vraag aan of de natuur, en met name de levende natuur, ook nog op andere wijze onderzocht zou kunnen worden, zodat de natuurkunde geïntegreerd zou kunnen worden met een wetenschap van het geestelijke.

De vraagstelling van Steiner was in zijn tijd niet gebruikelijk en voor de wetenschappelijke wereld van zijn tijd ook niet acceptabel. Daarmee stond Steiner alleen. Toch sloot zijn vraag bij een algemener probleem van die tijd aan, namelijk dat van de 'wetenschap'. Is alleen fysica wetenschappelijk of kunnen ook mens- en cultuurwetenschappen zonder laboratorium en zonder wiskunde wetenschappelijk te werk gaan? Is er voor de wetenschap slechts één geëigende methode of zijn er verschillende wetenschapsmethodes mogelijk? Bij zijn onderzoek naar de mogelijkheid van een spirituele wetenschap was de wezenlijke vraag voor Steiner: wat is de objectieve wetmatigheid waaraan het menselijk bewustzijn moet gehoorzamen om tot ware kennis van iets te komen?

Spiritualisering van het denken

De kennistheorie van Steiner leidt tot de conclusie dat er objectieve wereldinhouden zijn die in hun kwaliteit van algemene essentie niet zintuiglijk waarneembaar zijn, maar wel gedacht kunnen worden. Daarmee is de filosofie aan een grens gekomen; over de eigen bestaanswijze van die objectieve wereldinhouden kan zij verder niets zeggen. Om daarover te kunnen oordelen moet het filosoferende bewustzijn zichzelf niet alleen doorzien, maar ook omvormen. De toekomst van de filosofie ligt volgens Steiner dan ook in het overwinnen van het abstracte, aan het fysieke lichaam gebonden denken. De metamorfose van het bewustzijn die daarvoor nodig is, behoort niet meer tot de filosofie in strikte zin, omdat de filosofie uitgaat van het denkende bewustzijn zoals zij dit aantreft. Om weer een verhouding te vinden tot de wijsheid is volgens Steiner de 'spiritualisering' van het zuivere denken nodig, die erin bestaat van de dode abstracties op te stijgen tot de levende begripsrealiteiten. Men kan de in de twintigste eeuw veel gehoorde roep om een 'nieuw' denken, om de overwinning van het 'analytische' denken, begrijpen als de uitdrukking van het verlangen het denken te spiritualiseren, de beperktheid van het abstracte intellect te doorbreken.

Bewustzijnsprobleem

Hoewel de betekenis die aan Steiners kennistheorie gehecht kan worden niet gering lijkt, heeft zij in het filosofisch en wetenschappelijk leven van de twintigste eeuw weinig invloed gehad. Toen Steiner aan het begin van de twintigste eeuw binnen de organisatie van de Theosofische Vereniging als 'leraar' optrad, had hij voor velen definitief afgedaan. Het afwijzen van de antroposofische geesteswetenschap heeft de meesten ook het zicht op zijn filosofie, waarmee hij de antroposofie heeft willen funderen, ontnomen. Sommigen houden de antroposofie abusievelijk voor zijn filosofie.
In de twintigste eeuw, het tijdperk van het 'post-metafysisch' denken, geldt degene die over geestelijke wezens spreekt niet als serieus denker. Dat men echter zowel het denken in ere kan houden, de metafysica als speculatieve wetenschap kan afwijzen áls in alle ernst over bovennatuurlijke wezens kan spreken, dat heeft Steiner met zijn levenswerk duidelijk willen maken.
Een moeilijkheid ten aanzien van Steiners kennistheorie is gelegen in de wijdverbreide opvatting dat een wetenschappelijke kennistheorie in principe onmogelijk is. Deze opvatting is in de twintigste eeuw zo algemeen geworden dat kennistheorie als 'verouderd' geldt. Kennistheorie is ook gaandeweg vervangen door wetenschapstheorie.
Steiner heeft echter met zijn kennistheorie willen aantonen dat het menselijk bewustzijn zichzelf kan doorzien, en met de antroposofie dat het wezen van de mens slechts ongrijpbaar is voor wie het analytische denken niet aanvult met een gespiritualiseerd denken en van daaruit hogere kenvermogens ontwikkelt. Steiner beschrijft de crisis van de moderne tijd als een bewustzijnsprobleem: onze tijd vraagt om de ontwikkeling van een levend denken dat in staat is begrippen als realiteiten te ervaren. Dan kunnen, zo is Steiners overtuiging, wetenschap en waarheid elkaar vinden.

Als eenentwintigjarige student aan de Technische Hogeschool in Wenen kreeg Steiner de opdracht het natuurwetenschappelijke werk van Goethe van toelichtingen te voorzien. In Goethe waardeerde hij de mens die gedurende tientallen jaren van onderzoek zijn waarnemen en denken zo oefende dat hij het leven in de natuur ging begrijpen. Deze opdracht werd Steiners opstap naar de basis van een nieuwe, spirituele wetenschap, verankerd in de bestaande westerse cultuur. Hij beschrijft die basis in zijn boek De filosofie van de vrijheid (1893). Deze beschrijving, in de taal van de filosofie van zijn tijd, bevat in de kiem al de antroposofie.

Uit deze kennis is een gans gedachtegoed tot stand gekomen m.b.t. opleiding en opvoeding van kinderen.  Hieruit zijn de alomgekende Steinerscholen ontstaan.  Het centrum van de antroposofie is te vinden in Zwitserland: het zogeheten Goetheanum.

 

Naar boven ••>

Leringen

In mensen leeft de vraag naar het hoe en het waarom van het bestaan. Antroposofie stelt dat zulke vragen in principe beantwoord kunnen worden, ook als die antwoorden ons denken voorbij de grenzen voeren van de meet- en weegbare, materiële wereld. Juist omdat antroposofie in haar onderzoek geestelijke realiteiten betrekt, heet zij ook wel 'geesteswetenschap'.

De antroposofische geesteswetenschap geeft de wegen aan waarop deze antwoorden kunnen worden verkregen, scherpt instrumenten voor het oordeelsvermogen en beschrijft de samenhang van de verkregen inzichten. Zij wekt daarmee in individuele mensen het vermogen te handelen op basis van vrijheid en eigen inzicht.

Antroposofie vindt haar toepassing in verschillende maatschappelijke instellingen in Nederland: op het gebied van de pedagogie, de biologisch-dynamische landbouw, de geneeskunde, de heilpedagogische instituten. Ook op het gebied van cultuur en economie werkt antroposofie inspirerend, onder andere in kunstvormen als euritmie, toneel en architectuur, in organisatie-advieswerk en op bancair gebied.

Zelfstandig nadenken

Van groot belang is dat hij deze geesteswetenschap of antroposofie toegankelijk wilde maken voor iedereen die daar zelfstandig over wil nadenken. Om er voor te zorgen dat zijn lezers en gehoor niet alleen afhankelijk waren van zijn ervaringen, gaf Rudolf Steiner met diverse boeken een handleiding voor mensen die zich willen oefenen in het zelfstandig waarnemen in de geestelijke wereld.

Een belangrijk thema is zijn visie op het levenslot, vanuit de wetmatigheden van reïncarnatie en karma. In dat licht staat de kardinale vraag: wie is de moderne mens, en wat heeft hij nodig om een volgende stap in zijn ontwikkeling te doen? Het boek

Een even opzienbarende als zorgvuldig onderbouwde stelling van Rudolf Steiner is: voor het denken bestaan geen grenzen, en voor het waarnemen van verschijnselen van geestelijke aard kunnen nog sluimerende vermogens worden gewekt en ontwikkeld (bijvoorbeeld die waarmee je 'ziet' en 'hoort' in je eigen binnenwereld). Aan deze scholing van het instrumentarium van de ziel wijdt Steiner rond 1905 zijn De weg tot inzicht in hogere werelden.

Naar boven ••>

Wandel mee

Hier in België is nog zeer recent ook een bejaardenhuis op antroposofische basis ontwikkeld met groot succes zowel naar vorm als naar inhoud: Huize ‘Sterrenwijzer’ in Olen.

 

Programma B & NL

Antroposofie en onderzoek zijn niet te scheiden. In elk werkgebied is onderzoek verbonden met de eigen ervaring van het werk en met de studie van de geesteswetenschappelijke bevindingen van Rudolf Steiner. Een instelling die zich geheel richt op één tak van onderzoek is het Louis Bolk Instituut. Hier gaat het om theoretisch en proefondervindelijk onderzoek ter vernieuwing van de natuurwetenschap. Er is een landbouwkundige afdeling en een afdeling gezondheidszorg en voeding.
Vanuit een goetheanistisch-fenomenologische onderzoeksmethode tracht men de verschijnselen in mens en natuur in hun samenhang te begrijpen als uitdrukking van krachten van geestelijke aard. Er wordt dienstverlenend en fundamenteel onderzoek gedaan voor overheid, bedrijfsleven en particulieren.

Louis Bolk Instituut, Hoofdstraat 24, 3972 LA Driebergen,
tel. 0343-51 78 14, fax 0343-51 56 11.
E-mail adres: info@louisbolk.nl. Internet-adres: www.louisbolk.nl.

Naar boven ••>

Links & literatuur

Links

Tijdschriften

Boeken & On-line geschriften

Beslaan de voordrachten (hij hield er zo'n 6000 waarvan ruim tweederde werd gestenografeerd) dus een zeer groot deel van het werk, zelf legde hij de nadruk bij het geschreven werk:

"Wie mijn eigen innerlijke streven en worstelen om de antroposofie voor het bewustzijn van de huidige tijd te plaatsen wil volgen, moet dit doen aan de hand van de voor een algemeen publiek geschreven werken. Daarin ga ik ook in op hetgeen er in onze tijd aan streven naar inzicht leeft. Daar is meegedeeld wat in mijn 'geestelijke waarneming' steeds meer vorm kreeg en wat - zij het op een in vele opzichten onvolkomen vorm - tot het gebouw van de antroposofie werd."

Voornaamste werken: boeken en voordrachten

Naar boven ••>